Tourcols


Alpe d’Huez: Hoezo Nederlandse berg?

Vraag eens ’n willekeurige Nederlander naar de meest bekende Tourcol. Wedden dat je als antwoord l’Alpe d’Huez krijgt? Je zou hierdoor het idee kunnen krijgen dat deze berg legendarisch, loodzwaar, enorm hoog of wonderschoon is. Maar niets is minder waar.

Tweeduizend meter. Dat is ongeveer de grens, die de cols van de colletjes onderscheidt. Boven die grens hebben we in Europa fameuze puisten als de Galibier, Izoard, Agnello, Tourmalet, Iseran, Croix-de-Fer, Gavia, Grossglockner, Stelvio, Kronplatz, Pordoi, la Covatilla, Sierra Nevada en San Bernardino. De Alpe blijft steken op ‘slechts’ 1860 meter.
Dan de historie. De Galibier dook in 1911 voor het eerst op in het Tourparkoers. Ook de Aubisque maakte al vroeg zijn debuut, waardoor het vandaag de dag de meest beklommen Tourcol is.

Pas in de middeleeuwen van het cyclisme debuteerde l’Alpe d’Huez. Toen, in 1952, tikte Fausto Coppi als eerste aan op de kruin. De berg wordt gekenmerkt door een relatief groot aantal Nederlandse successen. Acht in totaal, op 26 klauterpartijen. In 1989 was Gert-Jan Theunisse de laatste Nederlandse laureaat. Voeg daarbij Alpe d’Huzes en evenementen van een groot aantal dagbladen en de hype is geboren.

l’Alpe d’Huez is ook niet de col van het overweldigende natuurschoon. Onderweg slingert de route door drie dorpjes en nu en dan wat bossen. Hierdoor zijn er weinig panorama’s te zien, een facet dat echt grote jongens wél hebben. Maar de col afdoen als een niemendalletje, voert natuurlijk ook te ver.
Vanuit Bourg d’Oisans is het meteen raak met een gemiddeld stijgingspercentage van boven de 10% over de eerste kilometers. Tot in het op de flanken van de berg gelegen La Garde blijft het steile wand-racen, pas na vijf kilometer kun je even uitblazen. Ook dat is relatief, want nergens is het minder steil dan 6%.

Schaduw is op het tweede deel van de beklimming bijzonder schaars waardoor de zon en het plakkerige asfalt het klimmen onder warme omstandigheden nog lastiger maken. De aflopende 21 bochtnummers lopen tergend langzaam terug terwijl de weg steil omhoog blijft lopen. Hier draait de weg aan de oostkant van de berg langs waardoor de top lang niet te zien is.
Pas in de laatste drie kilometer is het skioord te zien, hier is het ook iets vlakker.
De laatste kilometer stijgt het nog slechts drie procent, het grootste leed is geleden. De finish is op een afgelegen parkeerplaats, in het onooglijke skidorp. Wél nog even oppassen in die laatste bocht, daar schieten bijna elke editie wel een paar coureurs rechtdoor.

De laatste winnaar op de Alpe is Carlos Sastre, die er de basis legde voor zijn Tourzege in 2008. Giuseppe Guerini won ondanks een botsing met een fotograaf in 1999 en twee jaar daarvoor reed Marco Pantani met een tijd van 37 minuten en 35 seconden de snelste tijd tot nog toe. Het moyenne bedroeg destijds 24 (!) kilometer per uur. De Italiaan moest remmen tijdens de beklimming. Mensen die de Alpe ooit bedwongen, weten hoe onwaarschijnlijk snel dat is.

Ohja, de bijnaam van de Alpe is ook wel de ‘Nederlandse berg’. Maar zullen we afspreken dat we die benaming pas weer afstoffen na een nieuw Nederlands succes?


Bernardpas: Hannibal, Caesar en Karel de Grote

De historische Grote St. Bernardpas verbindt het Zwitserse Val d’Entremont met het Italiaanse Valle d’Aosta. Via de Grand Saint-Bernard trekken de renners vanuit Zwitserland Italië binnen, en via de Petit Saint Bernard vanuit Italië de Franse grens over. De pas dankt zijn naam aan Bernard van Menton, die hier in de 11de eeuw een klooster stichtte. De monniken hielpen in moeilijkheden geraakte reizigers met de welbekende Sint-Bernardshonden. De route was ook toen al eeuwen een belangrijke handelsweg.
Napoleon stak de pas over met 30.000 man om de Oostenrijkers uit Lombardije te verdrijven. Zelfs al in 218 voor Christus trok Hannibal met zijn olifanten over de Sint-Bernardpas in zijn opmars naar Rome. Een alternatieve maar riskante route, niemand had ooit gedacht dat een leger met olifanten er
doorheen kon trekken. Polybios, een Romeine historicus over die helletocht: ,,Ze leden grote verliezen. Niet zozeer door aanvallen van de barbaren, maar wel doordat de weg zo smal en de afgrond zo steil was. Velen stortten met hun bepakking in de afgrond.’’

Via diezelfde pas, waar Hannibal zoveel verliezen leed, trokken de legers van Caesar het gebied binnen via de Bernardpas om bezit te nemen van Martigny, startplaats van deze 16de etappe. Naast olifanten van Hannibal heeft deze pas meer recent een ander slachtoffer geëist: Alejandro Valverde. Want juist door deze kleine passage door Italië mocht de Spanjaard in 2009 de Ronde niet rijden.

De Tourhistorie van deze fameuze pas is een stuk beperkter. Martin Van Den Bosche trok in 1966 als laatste over de Col du Grand Saint Bernard. In 1963 viel Fédérico Bahamontes de eer te beurt om de kruin van de Petit en de Grand Saint Bernard als eerste te passeren. Hij verzekerde zich daarmee van de zege in het bergklassement. Gino Bartali was in 1949 de eerste die de top van beide hellingen passeerde.

De Col du Grand Saint Bernard is het dak van de Tour-2009 en samen met de Ventoux op papier de zwaarste col van die editie. Twee kilometer lang stijgt het tien procent, het gemiddelde is 6,2 procent over maar liefst 24 kilometer. De weg is in het begin erg breed, maar vanaf Bourg-Saint-Pierre wordt het smaller en stijgt de weg snel via smalle bochten. Vanaf het Lac des Toules wordt het landschap ruwer en kaler.

De grens met Italië ligt aan het grote bergmeer bovenop de pas. De afdaling is al even woest en onverschrokken. Via een aantal karakteristieke bergdorpjes volgt na 35 kilometer de aanloop naar de Petit Saint-Bernard. Na een stuk vals plat van 25 kilometer begint in Morgez de beklimming van bijna 23 kilometer lengte, gemiddeld 5,1 procent.

Zoals de naam al aangeeft iets minder lastig dan de Grand Saint-Bernard, maar door de plek in het parkoers toch bepalend voor het wedstrijdverloop. De uitzichten zijn fenomenaal, de weg goed en de hellingsgraad weinig grillig. Op vijf kilometer van de top volgt een strook van ruim acht procent, allicht dat hier de beslissing in de koers gaat vallen. Op de pashoogte ligt een aantal kleine meren, iets lager ligt het grotere helderblauwe Lago Verney. Op de vlakte verraad een kleine tempel de Romeinse historie. Nog ouder is een prehistorische cirkel met rotsblokken, precies op de Italiaans-Franse grens.


Télégraphe en Galibier | Noblesse oblige!

Al kan de Galibier van twee kanten beklommen worden, in de Tour gebeurt dat bijna altijd vanuit Valloire. Een klein gehucht tussen het Massif des Ecrins, de Grand Galibier en in het noorden de Aiguilles d’Arves en de Mont Thabor. In beschouwingen over de Galibier moet eigenlijk ook de Télégraphe meegenomen worden. Deze Siamese tweeling wordt bijna altijd samen opgenomen in de schema´s.

De Télégraphe vormt een ferme voorpost, want met een stijgingspercentage van 8 procent begint de Télégraphe stevig. Deze gelijkmatige klim slingert 12 kilometer door het bos alvorens de top op bijna 1600 meter hoogte wordt bereikt. Tussen kilometer vijf en zes wordt het steilste stuk bereikt: ruim negen procent.

De berg dankt zijn naam aan een fort met een seininstallatie, dat gebouwd werd op bevel van Napoleon. Hij gebruikte deze telegraaf om te communiceren met zijn verschillende legers. Het is een echte Tourklassieker: al in 1911 klauterde het peloton bij de berg omhoog.
Na een korte afzink van zo’n vier kilometer volgt het dorpje Valloire, alwaar meteen de Galibier begint. De eerste helft van de meest beklommen Alpencol is niet steil, zo’n vijf procent. Toch klimt de weg gestaag, maar omdat het een bijna rechte weg is wachten aanvallers vaak tot het tweede gedeelte van de beklimming. Met een steile bocht gaat het in het buurtschap Plan Lachat (1961 m) plotseling rechtsaf na het oversteken van een riviertje. Het groene landschap verdwijnt bruusk, slechts stenen sieren de pas. Via korte haarspeldbochten volgt vlak onder de top de steilste passage, drie kilometer aan 8,6%. Hier wordt traditiegetrouw het kaf van het koren gescheiden.

Zo reed Gino Bartali er in 1938 de concurrentie aan diggelen, Anquetil legde er in 1973 de basis voor zijn eindzege. Maar de historie is nog rijker, al in 1911 werd de Galibier voor het eerst opgenomen in het schema van La Grande Boucle. De combinatie van sneeuw, keien en gaten in de weg zorgde ervoor dat de renners liefst 2 uur en 40 minuten nodig hadden om de top te bereiken. Sinds dat jaar heeft de Galibier alle grote renners van de wereld mogen begroeten. Het meest opmerkelijke verhaal komt op naam van Féderico Bahamontes. De Spaanse klimmer bereikte met grote voorsprong de top, kneep in de remmen, at een ijsje en sloot aan bij de eerste achtervolger. Zijn commentaar daarop, zoals altijd in derde persoon enkelvoud: ,,Féderico is niet gek. Féderico is bang om de cols af te dalen, hij doet dat liever in het spoor van een ander.’’


De Col d’Izoard en fascistische invloeden

‘Weerzinwekkend’, ‘onmenselijk’ en ‘levensgevaarlijk’, slechts een greep uit de reacties nadat met de Ballon d’ Alsace, de Col Bayard en de Côte de Laffrey de
eerste bergen in de Tour opdoken. ,,Fietsende dwergen krabbelen moeizaam tegen bergreuzen op’’, schreef Henri Desgrange in L´Auto, het organiserende
blad. Nu, meer dan een eeuw later, is dat alles niet meer van toepassing. De bergen zijn geaccepteerd. De Col ‘d Izoard (2360m.) is één van die roemruchte Tourklassiekers. In 2011 staat hij weer op het program.

Vergiftiging
De Izoard behoort dus tot de prehistorie van het cyclisme. Er zijn dan ook veel heroïsche verhalen geschreven, op de flanken van deze Alpenreus. En die zijn niet allemaal even fraai. In de Tour van 1923 doen de wildste complottheorieën de ronde. In de etappe over de Izoard moesten respectievelijk de Belgische favorieten Léon Scieur en Firmin Lambot opgeven om duistere redenen. De eerste had koffie in zijn bidon, waar hij ongelooflijke maagkrampen kreeg. En van Lambot was het crankstel doorgezaagd. Ook een andere buitenlander, Ottavio Bottecchia, zwalkte over de flanken van de Izoard. Hij was ook vergiftigd, maar won desondanks de Tour. Vier jaar later vond Bottecchia op mysterieuze wijze de dood. Een boer bekende dat hij de Italiaan vermoordde, omdat hij druiven van zijn wijngaard at. Maar op het tijdstip van overlijden waren de druiven nog niet eens rijp. Een latere lezing gaf de schuld aan de maffia, maar de meest recente versie wijst de beschuldigingen aan jaloerse fascisten toe.

Mussolini
De fascisten begonnen in de roerige jaren ’30 ook in de wielerwereld een rol te spelen. Terwijl Hitler zijn land en ideologie etaleerde middels de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn, zocht Benito Mussolini. Hij verbood de brave Gino Bartali om in de Giro te starten, zodat hij in topvorm in de Tour zou verschijnen. Ook liet hij een legerofficier inkwartieren bij Bartali, om er op toe te zien dat hij toch echt wel goed trainde. De Tour begon niet voortvarend. Bartali verloor tijd door pech, maar koos de Izoard uit om de Ronde naar zijn hand te zetten. Precies zoals Mussolini het wilde, dicht bij de grens met Italië. Terwijl de officier hem vanuit de volgwagen aanvuurde, reed Bartali de concurrentie op een hoopje. Hij zou die Tour winnen. Voor volk en vaderland, al was dat toch tegen wil en dank.

Maanlandschap
De beklimming dan. Vanaf Chateau du Queyras is de col 14,5 kilometer lang. Het is één van de meest afwisselende beklimmingen in de Hautes-Alpes. Maar al voor het dorpje stijgt de weg stiekem al zo’n vijftien kilometer tussen de één en drie procent.
Vervolgens is het meteen bal, met een kaarsrechte weg die drie kilometer bijna tien procent stijgt. Ook mentaal een zeer zware passage. Na wat bochten wéér zo’n vervelend kilometers lang stuk rechtuit, tegen een hellingsgraad van zeven procent. Verderop volgen venijnige haarspeldbochten, die het ritme breken. Een wisselend landschap schuift voorbij.
Dichte bossen, groene alpenweiden, ferme rotspartijen en adembenemende panorama’s. Nu en dan doorklieft de weg de berg via een viertal onverlichte tunnels.
De laatste zeven kilometer stijgen gemiddeld bijna negen procent. Inmiddels hebben de bossen plaatsgemaakt voor een maanlandschap, dat wel wat weg heeft van de kale streken bovenop de Mont Ventoux. Ohja, geniepig is ook de kleine afdaling, twee kilometer voor de top. Je denkt er te zijn, maar moet dan toch nog ruim een kilometer steil klauteren. Hier staat trouwens ook een Tourmonument, waarmee lezers van L’Equipe de Tourhelden Fausto Coppi en Louison Bobet eerden. Op de kruin staat een heus museum, ingericht met stukken rondom de Tour de France.


Col d’Aubisque: Wimme!

De Aubisque staat in de schaduw van zijn hogere buurman de Tourmalet, maar verder doet hij niet voor hem onder. De Tourmalet en de Aubisque hebben tezamen vele vroege Tours gekleurd. Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw is de Tourmalet vaker verkozen boven de Aubisque. Het is nog steeds de meest beklommen berg uit de Tourhistorie, in 2011 staat de 72e opvoering op het program.

Door de ‘geringe’ hoogte van de col is de top vaak in nevelen gehuld, de wolken blijven hangen tussen de hoger gelegen bergen. Toch is de berg erg lastig. De eerste vier kilometers stijgen rond de vijf procent. Als het dorp Eaux Bonnes bereikt wordt stijgt het naar acht procent, even buiten het dorp zelfs tot 13 procent. Het beboste dal van de Valtentin wordt almaar nauwer tussen de bomen. Na het skidorp Gourette loopt de route het smalle dal uit. Vanaf daar klimt het nog even verder. De laatste kilometers zijn nog lastig met continue stijgingspercentages tussen acht en tien procent. Het is vaak hondenweer op de Aubisque wat voor een incidentrijke, bijna mythologische, Tourgeschiedenis heeft gezorgd. Zo werd in de jaren ‘70 een herder door de bliksem getroffen terwijl de renners passeerden. De man was op slag dood, de renners merkten er niets van.

Van Est
In 1951 dook de leider in het klassement, Wim van Est, in het ravijn. De Belgische renner Roger Decock stopte om de volgers te waarschuwen. Kees Pellenaars, ploegleider van de Nederlanders, liep naar de rand van het ravijn en riep: ‘Van Est! Van Est’! Slechts een echo van Van Est weerklonk uit 70 meter diepte. De renner had enorm veel geluk, hij viel tussen de rotswanden door op een zacht stukje grond. In tussentijd knoopte Pellenaars binnenbanden aan elkaar en zo trok hij Van Est omhoog. Met niet meer dan een paar schrammen vervolgde Van Est zijn weg. Nog beroemder werd hij door de uitspraak: ,,Zeventig meter viel ik diep, m’n hart stond stil, maar m’n Pontiac liep!” Een spreuk die eigenlijk helemaal niet door Van Est zelf werd uitgesproken, maar door een medewerker van de horlogefabrikant.

Geheugenverlies
Ook Bernard Thévenet bewaart geen goede herinnering aan de Aubisque. In volle afdaling sleurde Luis Ocaña de Fransman mee in een val. Er leek niets aan de hand, de renner was snel weer op pad met slechts een paar schrammen. In het dal aangekomen voelt Thévenet zich toch niet goed. Gedesoriënteerd door zijn val en bevangen door de koude waande de Fransman zich in een voorjaarskoers. Niet helemaal zeker van zijn zaak richtte Thévenet zich tot zijn ploegleider Gaston Plaud. ,,Welke koers is dit’’, vroeg de renner. ,,Dit is de Tour’’, antwoordde een verbaasde ploegleider. Thévenet: ,,Ik ben mijn geheugen kwijt.’’ ,,Maak je geen zorgen, je viel maar bent ongedeerd’’, sprak Plaud. ,,Waar zit ik dan in de koers’’, sprak een ontredderde Thévenet. ,,Er zijn twee groepen ontsnapt, daarachter rijdt jij.’’ De renner graaide in zijn zakken en vond een routekaartje. ,,Ik zie hier de Aubisque staan, ik dacht dat die nog moest komen!’’


Col du Tourmalet: Voorvork lassen

Slechte omweg. Dat is de letterlijke betekenis van Tourmalet. Figuurlijk ook, want er zijn makkelijkere wegen te vinden in de Franse Pyreneeën. Deze naam kreeg de col, omdat de hindernis alleen genomen werd wanneer de valleien overstroomd waren.

Al in 1736 werd begonnen met de aanleg van de pas. Ook in de Tourhistorie kent de Tourmalet een roemrucht verleden. Toen Tourdirecteur Henri Desgrange in 1910 de renners een etappe van 615 kilometer voor schotelde met onder meer de Peyresourde, Aspin, Tourmalet en Aubisque, besloten 26 van de 136 ingeschreven coureurs zich meteen terug te trekken. In deze rit verscheen ook voor het eerst de bezemwagen in de koers, opdat geloste coureurs niet eenzaam en verweesd in de besneeuwde bergen achter zouden blijven.

Want het was ook voor de organisatie een hele toer, om de Tourmalet überhaupt bereidbaar te maken. Arbeiders moesten in recordtempo een smal pad graven door de sneeuwmuren graven, want al om half vier ’s nachts zou de monsteretappe starten. Uiteindelijk kwam Octave Lapize als eerste boven komen, al heeft hij hele passages moeten lopen. Enkel Gustave Garrigou zou tijdens de col niet van de pedalen hoeven, met zijn speciaal aangepaste vaste verzet: 22-11!

Beroemd is ook het verhaal van Eugène Christophe, die in 1913 op de flanken van de Tourmalet voor zichzelf een nieuwe voorvork smeedde. Hij deed dit in Sainte-Marie-de-Campan, dat hij bereikte na een wandeltocht van 14 kilometer. Hulp van derden was niet toegestaan, dus de Tourjury hield tijdens de werken van Cristoph een streng oogje in het zeil. Omdat hij te weinig handen had om ook nog de blaasbalg te hanteren, riep hij daarvoor hulp in. Het zou hem een minuut straftijd opleveren. Een gedenksteen bij het binnenrijden van het dorp herinnert aan deze gebeurtenis. Het zou Christophe vier uur kosten, maar uiteindelijk kon hij zijn weg vervolgen.

Buiten de aanloopstrook daalt het hellingspercentage nergens onder de acht procent. Via een eindeloze lange rechte weg gaat het gestaag bergop. Na acht
kilometer klimmen bij het Meer van Artigues slingert de weg richting de waterval van Le Garet over vijf kilometer omhoog met een gemiddeld percentage van boven de tien procent. Met rechts de majestueuze Pic du Midi in het vizier wordt via wat tunnels het skidorp La Mongie bereikt. Ook de passage in dit dorp is bijzonder steil en de komende vier kilometer duikt het hellingspercentage niet onder de negen. Dwars door Europa’s
grootste skigebied en via pittige haarspeldbochten komt langzaam de top in zicht. Daar staat een standbeeld van Jacques Goddet, Tourdirecteur van 1936 tot en met 1988. De vergezichten richting de Pic d’Ardiden en de gletsjer van Bailatous zijn adembenemend.

De rijke historie ten spijt werd vorig jaar op de Tourmalet een cadeau weggegeven. Andy Schleck mocht winnen, omdat de Spanjaard tijdens het beruchte kettingincident van Schleck demarreerde. Mocht Eugène Christophe hiervan vernemen, hij zou zich omdraaien in zijn graf.


Luz-Ardiden: Col van de doorbraak

Natuurlijk, de tuimelperte van Lance Armstrong en Iban Mayo staat ons nog vers op het netvlies. Maar toch is de geschiedenis van Luz-Ardiden niet zo roemrucht als die van voorganger Tourmalet. Logisch ook, de berg werd pas in 1985 voor het eerst in de tabellen opgenomen.

In dat jaar beet Pedro Delgado het spits af met ritwinst op de Pyreneeënreus, in een Tour die gewonnen zou worden door Bernard Hinault. Een historische editie, want in 1985 werd er voor het eerst gereden met de nu onmisbare clickpedalen. Een doorbraak in efficiëntie én veiligheid. In 1987 tikte Dag Otto Lauritzen als eerste aan, hij boekte de eerste Noorse ritzege ooit in de Tour.

Luz-Ardiden is een skioord, op 1720 meter gelegen in de Franse regio Midi-Pyrénées en het departement Hautes-Pyrénées. Vanuit het dorpje Luz-Saint-Saveur verlaat het peloton de D12 en kiest het de smalle Route de l’Ardiden. Meteen gaat het bruusk omhoog, ruim vijf procent gevolgd door een passage van twee kilometer waar het klauteren tegen acht procent is. Het gaat hier vooral rechtdoor. Na de eerste haarspelden zijn de volgende kilometers respectievelijk zeven, tien en negen procent steil.

Bosrijk
Daar krijgt de klauterpartij ook landschappelijk gezien het uiterlijk van een col. Een passage door donkere bossen, een snelle aaneenschakeling van bochten gevolgd door nu en dan een spectaculair uitzicht. Vluchters zijn hier met een paar seconden voorsprong al uit het vizier van het peloton. Zelf kunnen ze de afstand tot de concurrentie monsteren, door een paar haarspelden naar beneden te blikken. Na een kleine kilometer op een plateau is het in de slotfase weer volop draaien en keren, het gaat geen honderd meter rechtuit. Wel is het iets minder lastig, maar met acht, zes, zeven en zeven procent in de slotkilometers nog steeds niet eenvoudig.

Luz-Ardiden is vooral de berg van Miguel Indurain. Van de statige Spanjaard herinneren we ons tijdrit- en eindzeges, maar op Luz-Ardiden liet hij in 1990 zien dat hij met zijn lange lichaam gezwind bergop kon. Greg LeMond zou dat jaar voor de laatste keer de Tour winnen, ondanks zijn fors verminderde longcapaciteit door een jachtongeluk. Indurain sloop langzaam richting de top, met een tiende stek in het eindklassement. Slechts vijf posities achter zijn teleurstellende kopman Pedro Delgado. In 1994 zag Luz-Ardiden de geboorte van Frankrijks nieuwe hoop Richard Virenque. Ook hij kwam er zijn eerste Tourrit winnen.


Basken
Toen Miguel Indurain in 1990 won, stond een slungelige tiener voor hem te supporteren. ‘Als klein jongetje stond ik daar, om de Tourhelden aan te moedigen. Nu win ik hier zelf, in de kleuren van mijn Baskenland’, vertelt Roberto Laiseka na zijn ritwinst in 2001.
De broodmagere Bask van het toen nog marginale ploegje Euskaltel zegevierde glorieus, omzoomd door tienduizenden uitzinnige Basken. Dit team, gesponsord door het separatistische Baskenland, zette met de zege van Laiseka de strijd tegen Spanje kracht bij. De winst van de Bask uit Bilbao was een verrassing, maar geen toevalstreffer. Al vanaf de start gingen de oranje mannen vol in de aanval.
Met deze zege had Laiseka de ploegen voor het uitkiezen. Maar ondanks aanbiedingen die fors beter waren, wilde de Bask niet voor voor een buitenlands (lees: Spaans) team koersen. ‘Daarvoor is onze boodschap te belangrijk.’

Als je het zo opschrijft, dan lijkt Luz-Ardiden de berg waar toekomstige kampioenen voor het eerst doorbreken. Benieuwd, wie dit jaar zijn nog onbekende neus aan het venster steekt. Bauke Mollema, misschien?


Sestriere | Met dank aan de Giro

Welbeschouwd is Sestriere geen echte Tourcol. Want het was de Giro, die de Italiaanse berg in 1911 voor het eerst bezocht. En ook dit jaar deed de Giro Sestriere weer aan, in een etappe die gewonnen werd door Vasili Kirijenka.

Tijdens de 202 kilometer lange rit van Mondovi naar Turijn moest men de col beklimmen. ‘De Rossingnoli’s, Gerbi’s, Corlaita’s en Galetti’s werkten zich traag omhoog in een man-tegen-man-strijd, op de stoffige weg, die enerverend lang en bij herhaling ontzettend lastig was.’ Dat schreef de organiserende krant La Gazzetta dello Sport na afloop van de rit. Geen van voornoemde toppers kwam overigens als eerste boven, die eer was weggelegd voor Carlo Oriani. Twee jaar later zou hij de Giro winnen en nog een paar jaar later stierf hij, aan het front tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Robic
De Tour dan. Die bezocht in 1952 het Italiaanse skidorp voor ’t eerst. En ook toen was het een Italiaan die als eerste kwam aantikken: de legendarische Fausto Coppi. Eén renner wilde zich niet neerleggen bij zijn hegemonie. Dat was Jean Robic, ook al zo’n mythische naam uit de Tourhistorie. Toch geloofden de Fransen niet in hem, want toen Robic lek reed moest hij het zelf oplossen. Misschien was het zijn verdiende loon, want Robic stond bekend als een koppige en onuitstaanbare coureur. Ondanks zijn successen nam men hem niet al te serieus. Dat kwam ook, doordat hij als enige met een enorme helm fietste. Dat hij zijn tijd ver vooruit was, kon men toen dan ook nog niet bevroedden.

Sneeuwstorm
Val d’Isere huivert, op 8 juli 1996. Een sneeuwstorm giert door het dorp, terwijl de renners hun opwachting maken voor de negende etappe van de Tour de France. Een stuk hoger, op de Iseran, was de situatie nog erger. Honderden sneeuwschuivers hadden de hele nacht gewerkt de col begaanbaar te maken voor de Tour. Tevergeefs, zo oordeelde Jean-Marie Leblanc. De Iseran werd geschrapt en de karavaan reed in de auto over de besneeuwde en spekgladde col, richting een nieuwe startplek. Aldaar wéér koortsachtig overleg, want op de Galibier gierde ook een storm. Ook die berg schrapte Leblanc morrend van het program, op aandringen van coureurs en ploegleiders. Uiteindelijk werd er dan toch nog gestart, ook al was het slechts 3 graden.

Van het oorspronkelijke parkoers resteerde alleen de slotklim naar Sestriere. Het werd, ondanks alles, een spektakelrit. Bjarne Riis voerde de forcing, maar liet zich opzichtig terugzakken in de kopgroep. Hij keek de concurrentie eens goed in de ogen en zette aan voor een verwoestende en vernederende aanval. Hij luidde daarmee het einde van het tijdperk-Indurain in, die tot dan toe vijf keer op een rij de Tour had gewonnen.

Olympische Spelen
De ‘Colle del Sestriere’ is gelegen in Piemonte. En ondanks vele doortochten van de Tour en met name de Giro, kent de sportliefhebber Sestriere vooral van de Olympische Spelen. Want tijdens de Spelen van Turijn, in 2006, was Sestriere het decor voor de belangrijkste skinummers. Italianen denken bij Sestriere vooral terug aan hun held Alberto Tomba, die er vele successen vierde.

Ondanks een bewogen historie is Sestriere niet de lastigste klim in de regio. Tussen kilometer twee en drie stijgt de weg bijna 10 procent, maar het leeuwendeel van de klim komt amper boven de zes procent uit. Het gemiddelde is dan ook bescheiden: 5,6%.
De natuur is er adembenemend, met zeldzame flora en fauna. Toeristen kennen het gebied ook van La fortezza di Fenestralle, een hooggelegen vestingstadje.

Na Sestriere volgt vlak voor de finish in Pinerolo nog de Colle Pra Martino. Deze Tourdebutant is zeven kilometer lang en stijgt met een gemiddelde van 6%. Dat lijkt mee te vallen, maar de helling is bijzonder onregelmatig. Er zitten drie passages in van rond de 16%, maar ook stukken die bijna vlak zijn. De laatste twee kilometer stijgen amper 3% en ook de aanloop is niet al te lastig. Het zal dus in het middenstuk moeten gebeuren.


Super-Besse Sancy: afwachten of aanvallen?

Toegegeven, Super-Besse is geen indrukwekkende col. Maar omdat het de eerste serieuze finish omhoog is, kijken de protagonisten er tóch reikhalzend naar uit. Het wapengekletter zal hevig zijn, door de tijdsverliezen van onder anderen Samuel Sanchez en Alberto Contador eerder deze Tour. Un petit histoire.


Een loper, zo betitelen Vlamingen de beklimming naar Super-Besse. Nimmer klautert de route steil richting de kruin. Gelegen op de zuidflank van Puy de Sancy is het een brede weg, die uitgerold is naar het jonge skidorp. In het begin krijgen de coureurs nog wat vergezichten voorgeschoteld, terwijl het asfalt amper vijf procent stijgt. Al rap bereiken de coureurs een plateau, waarop de route zich voortzet. Tot iets voorbij het Lac Pavin is het drie kilometer pedaleren aan amper twee procent, tot het de laatste twee kilometer toch nog een beetje serieus wordt. Na een korte afzink volgt een venijnige passage van ruim acht procent, met aaneengesloten de slotkilometer die zo’n vier procent stijgt. Geen percentages, die gevleugelde klimmers doen suizebollen.

Dit blijkt ook wel uit de erelijst van Super-Besse. In 1978 was het de nobele onbekende Paul Wellens die won, in een Tour die we ons vooral herinneren van Pollentier’s peertje. De Vlaming bouwde een ingenieuze constructie om de dopingcontrole te flessen. Vanuit een peer onder zijn oksel liep een slangetje onder het wielershirt door, dat bij de mouw afgesloten werd door een kurk. De constructie raakte echter verstopt en Pollentier werd ontmaskerd.

Voor Rabobank heeft Super-Besse ook een positieve connotatie. Rolf Sörensen zorgde ervoor dat de oranje mannen in debuutjaar 1996 na Michael Boogerd een tweede etappe mochten bijschrijven op het palmares. Sörensen zegevierde op zijn manier, sterk én slinks. In de finale werd de ontsnapte Deense routinier op de nek gevallen door het Franse klimmersduo Leblanc-Virenque en de piepjonge meesterdaler Paolo Savoldelli. In de spurt vloerde Sörensen de grote tenoren op grootse wijze.

In 2008, de meest recente arrivé in Super-Besse, won het pedante raspaardje Riccardo Riccò. In een tumultueuze groepsspurt bergop vloerde hij vlotjes specialist Alejandro Valverde en Tourfavoriet Cadel Evans. Dagwinnaar Ricco won enkele dagen nadien wéér, maar werd vlak daarna hardhandig uit de Tour gekieperd, samen met ploegmaat en CERA-makker Leonardo Piepoli. Diskwalificatie volgde, waardoor uitgerekend de nu geschorste Valverde de zege op Super-Besse in de schoot geworpen kreeg.

Of nu eenzelfde scenario wacht, is maar zeer de vraag. Een goede vijftien kilometer voor de voet van Super-Besse ligt de top van de Col de la Croix Saint-Robert. Een helling van tweede categorie, van zo’n zes kilometer aan 6,2% gemiddeld.


Alto de Jaizkibel: Vlees noch vis?

Voor veel liefhebbers kan de Alto de Jaizkibel bezwaarlijk een monument genoemd worden. Ondanks de schitterende naam verbleekt de Baskische puist in het rijtje Poggio, Muur, Redoute, Cauberg en Madonna del Ghisallo.

Logisch ook, want de Clásica San Sebastián wordt evenmin tot de wielermonumenten gerekend. Samen met de voortdurend van naam veranderende koers in Hamburg valt de Clásica een beetje tussen de wal (de Tour) en het schip (de najaarsklassiekers). Toch heeft de Donostia-Donostia Klasikoa, zoals de koers in het Baskisch heet, wat te vieren. Want precies 30 jaar geleden werd-ie voor het eerste georganiseerd. En net als bij zoveel koersen tekent ook hier een krant voor de oprichting: El Diario Vasco.

Clásica
Voor Spaanse begrippen is de Jaizkibel niet lastig, althans als je deze analyseert op basis van kille cijfers. Hij is 455 meter hoog en het gemiddeldestijgingspercentage is 5,4 procent, maximaal 9,8 procent. De lengte van de beklimming bedraagt 8,2 kilometer en de steilste kilometer stijgt 8,3 procent. Ter indicatie, in de Tour de France van 1977 en 1992 werd de Jaizkibel in de tweede categorie ingedeeld. Omdat de berg zo’n veertig kilometer van de meet ligt, maakt hij doorgaans de vorentscheidung. Dichter bij de meet volgt nog de onbekende Alto de Arkale, die vaker beslissend is. Sinds de invoering van de ProTour zegevieren, op Alejandro Valverde na, vooral subtoppers. En bijna altijd zijn het goed gerodeerde coureurs, die net uit de Tour komen.

Tour de France
Over de Tour gesproken. De Franse ronde bezocht net als de Vuelta de Jaizkibel meermaals. In 1977 was het Jean-Pierre Danguillaume die als eerste de top overschreed tijdens de vierde etappe van Vitoria naar Seignosse-le-Pénon. In 1992 werd de Jaizkibel voor een tweede keer in het tourschema opgenomen. De Italiaanse Giro-winnaar Franco Chioccioli bereikte als eerste de top, hij ging bekende klassementsrijders Claudio Chiappucci, Andy Hampsten, Erik Breukink, Stephen Roche, Miguel Indurain en Gianni Bugno vooraf. De etappe werd gewonnen door Dominique Arnould, die met een uitval in de laatste kilometers het sprintende peloton wist te verrassen. Precies zoals Erik Dekker in 2000 de Clásica ook won.

Ferme zeewind
Bovengenoemde uitslagen zeggen veel over de Jaizkibel. De klim is selectief genoeg om het kaf van het koren te scheiden, maar de afzink en de aanloop richting San Sebastián is lang genoeg om terug te kunnen keren. Hierin schuilt tegelijk ook de spankracht van de Clásica; een strijd van groepjes renners om te ontsnappen uit de kopgroep en een strijd van achtervolgende groepen om diezelfde kopgroep te achterhalen. Dat stijgingspercentages en hoogtemeters niet alles zeggen, bewijst de Alto de Jaizkibel ook. De laatste kilometer van de Jaizkibel is op papier nagenoeg vlak, maar de wind die vanaf de Golf van Biskaje over de Jaizkibel blaast zorgt voor een complicerende factor.


Mont Ventoux: Mythisch, niet historisch

1967. Het is vreselijk warm op vrijdag de 13de juli, aan de aftrap van de 13de rit. De Ventoux staat op het menu, de berg waar de wind giert en bomen geen beschutting bieden. Alle ingrediënten voor een slijtageslag zijn aanwezig. Dat de elementen een leven zouden gaan eisen, dat kon nog niemand bevroeden toen de Brit Tom Simpson op vier kilometer van de top van zijn fiets sukkelde. Jan Janssen won, maar hoorde pas aan de meet van het sterfgeval.
Deze en andere verhalen zorgen ervoor, dat de Mont Ventoux de meest mythische berg is in de 96ste editie van de Tour. Met 1915 meter niet eens echt hoog, maar de ligging, het karakter en de geschiedenis maken deze helling zo fameus. De Tour komt pas voor de 14de keer langs, maar louter grote namen tikten als eerste aan op de kale kruin.

Richard Virenque was de laatste in 2002, meer memorabel was het cadeau dat wijlen Marco Pantani in 2000 kreeg van Lance Armstrong. De twee kregen er nadien nog ruzie om. Of de editie van 1994, toen de boomlange antiklimmer Eros Poli ternauwernood uit de greep van de favorieten bleef. Bijna 20 minuten voorsprong verspeelde de Italiaan nog.

Ook memorabel was de editie van 1958, toen Charly Gaul tijdritkoning Jacques Anquetil op De Kale Berg in het verlies reed. De Reus van de Provence, een col die plompverloren in het bijna vlakke landschap ligt, trekt jaarlijks ook duizenden toerrijders aan die zich willen spiegelen aan de slaven van de weg.

Bedoin is dan het meest gangbare vertrekpunt, zoals dat in de Tour ook dikwijls het geval is. Gemiddeld stijgt de weg over 21 kilometer 7,6 procent, maar de voorlaatste kilometer loopt meer dan 10 procent op. Extra hindernis is de zinderende hitte die eind juli Zuid-Frankrijk,evenals de wind zo kan teisteren op die Kale Berg zonder beschutting. Want ook dat is een consequentie van de programmering op de voorlaatste dag.


Col de L’Iseran – Dak van de Tour

De Col de L’Iseran is de hoogste Alpen-pas met een weg erover, dus indien opgenomen in het schema bijna altijd het dak van de Tour. Door de ligging nabij de Italiaanse grens mijdt de organisatie de berg vaak omdat hij niet goed in de gangbare routes past. De Tourhistorie van de berg is daardoor kort. Al werd de pas bij de opening in 1938 meteen opgenomen in het routeschema.

De Belg Félicien Vervaecke bedwong de helling als eerste, al verspeelde hij zijn leidende positie verderop in de rit aan Gino Bartali. ,,Ik won de Tour in de afdaling van de Iseran’’, sprak de Italiaan. Twintig jaar later was de Iseran het toneel van Louison Bobets zwanenzang. De Franse topfavoriet gaf ziek op, al haalde hij nog wel de top. Daar stapte hij gehuld in dekens in de volgwagen.

Dit jaar hebben de renners geluk, er is niet gekozen voor de volledige beklimming vanuit het dal. Dan zou de col op een lengte van 45 kilometer uitkomen. De startstreep ligt namelijk in het befaamde skidorp Val d’Isére, op 1785 meter hoogte. Voor de renners resteert ‘slechts’ 15 kilometer klimmen. Na de start begint de weg meteen te klimmen en het landschap ruiger te worden. Afgronden en rotsblokken sieren het straatbeeld, de weg kruipt geleidelijk omhoog. Bij Pont St. Charles draait de weg terug zodat eventuele ontsnapten hun voorsprong op de rest kunnen monsteren. Via een serie haarspeldbochten nadert de top. Met stijgingspercentages tussen de 5 en 8 procent is het laatste gedeelte van de klim nog erg lastig.

Al met al niet de zwaarste col, maar veel is afhankelijk van het weer. Het kan op de hoogten van de Iseran snel omslaan. Sneeuwbuien in juli zijn geen uitzondering. Zo moest de berg in 1996 van het menu worden geschrapt vanwege noodweer. Bjarne Riis maalde er niet om en schreef met verbluffend gemak de alternatieve, ingekorte rit op zijn naam. Daardoor bleef Claudio Chiappucci de laatste die de berg bedwong.


Col de la Bonette-Restefond – Ils ont roule sur la lune

Er is wat discussie over, maar de Col de la Bonette-Restefond is toch echt de hoogste passage in Europa. Dit tegen de zin van een aantal puristen, want de lokale overheid heeft via een extra lusje buiten de normale route om, de hoogte van 2715 naar 2802 meter weten op te rekken. Officieel heet dit de Cime de la Bonette. Het is misschien kunstmatig, maar op deze manier passeert de Bonette in de ranglijst op de valreep wel de Iséran, de Stelvio en de Agnello.

Dit extra lusje krijgen de renners ook voorgeschoteld en daarmee is de col tussen de vallée de l’Ubaye en de vallée de la Tinée vanzelfsprekend het dak van deze Tour. Opmerkelijk genoeg passeerde La Grande Boucle hier slechts drie keer eerder. In 1962, 1964 en 1993. Die allereerste keer was het de legendarische Fédérico Bahamontes die als eerste de top bereikte in de rit naar Briançon. Iets wat hij twee jaar later opnieuw deed. In 1993 was het Robert Millar die als eerste aantikte op de kruin. Klimmend vanaf Isola volgen de renners eerst een brede baan. Het is hier verre van steil en het binnenblad zullen de voorste renners nog niet nodig hebben. Coureurs die al in de bus zitten worden ontmoedigd door de bordjes waarop staat dat er nog 2200 meter hoogteverschil te overwinnen is, dat alles over 26.7 kilometer.

Na een korte afdaling van drie kilometer begint het echte werk. Het landschap wordt ruwer, de weg smaller. Links en rechts kletteren watervalletjes naar beneden en op een rustige dag kun je hier de marmotten horen fluiten. Hier is het nog bosrijk, maar langzaam worden de bomen struikjes en hebben rotsen de overhand. Kleine meertjes, schaapkuddes, en in de verte besneeuwde toppen zijn de elementen die het tweede deel van de beklimming kleuren.

Toch is het verloop van deze Alpenreus redelijk gelijkmatig, met als uitzondering de extra lus op de top. Deze laatste kilometer heeft een gemiddeld hellingspercentage van bijna 10%. De Mont Ventoux noemen ze de Kale Berg, maar langs die laatste slinger rond de top groeit ook geen grassprietje. ‘Ils ont roulé sur la Lune’, schreef de Franse journalist Philippe Bouvet. Ze reden op de maan.


Arcalis – Drank en lamsbiefstuk

De aankomst in belastingparadijs Andorra is voor slechts twee keer in de route opgenomen, maar is toch roemrucht. Jan Ullrich legde er in 1997 de basis voor zijn eerste en enige Tourzege. Het is dan ook een echte Ullrich-klim. Gelijkmatige stijgingspercentages over een lange brede bergpas, zonder al te veel steile haarspeldbochten. De berg telt 10,6 klimkilometers, wanneer je de aanloop van gemiddeld drie procent meetelt kom je op 18 hellende kilometers. Het begin van de klim is meteen het lastigst, met een stijgingspercentage van bijna 9 procent. De laatste stroken zijn een stuk minder steil, rond de 5,5 procent. In 1997 werd op de Montée d’Arcalis de hiërarchie opgeschud.

Bjarne Riis is de kopman en de piepjonge Ullrich reageert op alle uitvallen van klimmers als Marco Pantani en Richard Virenque. Op 11 kilometer van de aankomst breekt Riis en geeft Ullrich een vrijkaart. Krachtig en elegant pedaleert de man uit Rostock zonder uit het zadel te gaan een minuut weg van de concurrentie. In Parijs zou hij bijna tien minuten voorsprong hebben.

De Tour was buiten de twee aankomsten al vaker op bezoek in het bergstaatje. In 1964 had de Ronde er een rustdag. Anquetil profiteerde er van de belastingvrije alcholische versnaperingen en een flink stuk lamsbiefstuk. Zwaar beneveld sprong Anquetil veel te laat op bed om de volgende dag met een flinke kater op de fiets te stappen. Hij werd de eerste klim gelost en verloor vier minuten. Hij dronk een bidon met champagne leeg en sloot na een verwoede jacht weer aan bij de koplopers. Niet veel later zou hij zijn vijfde Tourzege veiligstellen.


Col de la Croix-de-Fer – Kruistocht

Veel actieve fietsers kennen de Croix-de-Fer uit de Marmotte, een tocht voor wielertoeristen waar ook jaarlijks duizenden Nederlanders aan deelnemen. De 17e etappe is eigenlijk gelijk aan deze beroemde tocht, alleen dan in omgekeerde volgorde. Dus niet eerst de Croix-de-Fer, maar de Galibier via de Lauteret. De afdaling volgt via de Télégraphe waarna in Saint-Jean-de-Maurienne de Croix de Fer wordt aangesneden.

Pas na ruim 195 kilometer volgt de voet van de L’Alpe d’Huez. De Croix-de-Fer is een plateau tussen de imposante toppen van l’Ouillon en de Perrons in het Massif des Ecrins, de Grandes Rousses en het Massif de la Vanoise. Verspreid over de vlakte op grote hoogte liggen enorme rotsen en er groeien kleine grassen. Op een stenen zuil staat het bekende ijzeren kruis (Frans: Croix-de-Fer) in de vorm van een klaverblad, hét symbool van deze col. De renners beklimmen de col dus vanaf Saint-Jean-de- Maurienne, en deze zijde is een stuk lastiger dan de meer bekendere beklimming vanuit Bourg d’Oisans. Het gemiddeld stijgingspercentage is 5,2% over de volle lengte van bijna 30 kilometer. De laatste vijf kilometer zijn veruit het lastigste, als de weg via haarspelden de top zoekt. Daar ligt het gemiddelde een stuk boven de 8%.

In de Tourmythologie heeft de col geen vooraanstaande plaats. Toch is het één van de meest tot de verbeelding sprekende beklimmingen van de Alpen, door het wisselende landschap en fraaie vergezichten. Fausto Coppi is één van de renners die wel geschiedenis schreef op de col. In 1952, tussen Bourg d’Oisans en Sestrière, zette de ranke Italiaan al op de Croix-de-Fer aan voor zijn raid naar rit- én eindwinst. Op de Télégraphe en de Galibier loste Coppi zijn laatste tegenstanders om uiteindelijk met zeven minuten voorsprong aan te komen in het Italiaanse Sestrière. In het eindklassement zou hij met een voorsprong van bijna een half uur een naoorlogs record vestigen.


Port d’ Envalira: Andorrees

Het is de hoogste pas van de Pyreneeën: de Port d’ Envalira dwars door Andorra. Meteen vanuit de start is het prijs voor het peloton. Bijna 24 kilometer klimmen aan 5,1 procent gemiddeld. Dat kan erin hakken voor de renners die koud uit de startblokken schieten. En die zullen er zeker zijn, al was het alleen maar voor het grote aantal bergprijspunten dat op de top wacht. Deze klim, de rijksweg N2, klimt in het begin rustig richting Encamp, een karakteristiek dorpje. Een kilometer of zeven verder wordt het dal breder en groener, nog weer zes kilometer verder begint vanuit Soldeu het lastige gedeelte van de berg pas echt. Doordat het een drukke verkeersader is, koersen de renner over een brede weg.

Daardoor is de hellingsgraad lastiger in te schatten, maar die laatste kilometers zijn gemiddeld acht procent. De tien haarspeldbochten zijn vanaf dat punt bijna vlak, de tussenstukken maken het zwaar. Van de vergezichten op Andorra en de slingerende weg naar beneden zullen de renners niet genieten, het gaat via een steile en technische afdaling richting de Franse grens.

In 2009 werd de Envalira voor de zevende keer opgenomen is in het Tourschema. In 1964 zat de bergpas twee keer in de route, Fédérico Bahamontes en Julio Jimenez bereikten als eersten de kruin. Aurelio Gonzalez, Raymond Delisle en Leonardo Sierra volgen in 1968, 1974 en 1993. In 1997 zat de Envalira eveneens twee keer in het schema, de onverzettelijke bergpuntensprokkelaar Richard Virenque was beide keren als eerste boven.

29. juli 2011 by Tom
Categories: Sport | Leave a comment

Leave a Reply

Required fields are marked *

*